|
Mijnheer de voorzitter, collega's, ik wil eerst de voorzitter van de commissie voor de Infrastructuur bedanken. Ik moet altijd op een goed blaadje bij haar staan maar wij hebben in de commissie wel degelijk de tijd gekregen om hier terdege over te debatteren. Gelet op de hoogdringendheid van de behandeling vond ik het zeer goed dat wij de mogelijkheid hebben gekregen om ten gronde van mening te verschillen. Dat is de essentie van een Parlement, tussen meerderheid en oppositie. Mevrouw de voorzitter heeft ons die ruimte gelaten. Ik wil ook de rapporteurs danken voor hun verslag.
Het klopt inderdaad dat wat we vandaag bespreken eigenlijk de omzetting is van een Europese richtlijn. Dit betekent derhalve eigenlijk dat het kader vastligt en dat er nog een aantal spelregels moeten worden bepaald door de scheidsrechter. Net als in het voetbal wordt de scheidsrechter bijgestaan door twee grensrechters en tegenwoordig ook door een vierde scheidsrechter. In dit dossier is eigenlijk hetzelfde gebeurd. De scheidsrechter in de liberalisering van de postale markt was minister Van Quickenborne, bijgestaan door een aantal andere ministers die assisteerden bij het bepalen van de spelregels. Dat was belangrijk om dat we gedurende de etappe van meer dan twee jaar die aan deze wetgeving is voorafgegaan bij de bespreking van beleidsnota's in de commissie voor de Infrastructuur soms minister Vervotte aan de tand gevoeld hebben als minister van Overheidsbedrijven inzake De Post en mevrouw Milquet omtrent de arbeidsvoorwaarden. Vandaar dat we natuurlijk soms van de ene grensrechter iets anders te horen kregen dan van de scheidsrechter. Ik voelde mij soms op een voetbalveld waar een grensrechter een vlaggetje ophield terwijl de scheidsrechter verder liet spelen. Vandaar dat het soms moeilijk was om het debat te voeren.
Ik verheug mij er vandaag echter wel over dat de tekst die wij bij de laatste bespreking kregen een verbetering was vergeleken met de ontwerpteksten die we in het begin als oppositie met een goede wind mochten ontvangen. We hebben toch een aantal verbeteringen gezien.
Ten gronde, en ik herhaal wat ik in de commissie heb uiteengezet, blijf ik mij vragen stellen bij de liberaliseringtendensen die van de Europese Commissie naar de verschillende lidstaten komen. Zelf ben ik niet overtuigd van de meerwaarde voor sommige sectoren van een aantal wetgevingen inzake liberalisering.
Tijdens de commissievergadering heb ik degenen die de pen vasthielden bij de liberalisering van de postmarkt, vergeleken met de ayatollahs van de vrije markt. Ik heb er onmiddellijk aan toegevoegd dat mijn vergelijking overdreven was. Niettemin kan volgens mij een blinde liberalisering vast en zeker geen goed doen.
Collega's, ik hoef hier niet te verhelen dat ik ideologisch niet geloof in de invisible hand van de vrije markt.
Dat waren mijn filosofische bedenkingen. Ik voeg er meteen aan toe dat ik niet de man ben om de oude dirigistische planeconomie te verdedigen. Ik ben echter wel de verdediger van moderne, transparante overheidsbedrijven die de burgers een goede dienstverlening bieden. Om een goede dienstverlening te kunnen bieden, is er een evenwicht nodig, zodat de geboekte inkomsten de niet-rendabele uitgaven kunnen dekken. Dat is, in een korte definitie, de essentie van een overheidsbedrijf.
Ik kijk naar Groot-Brittannië en pik er het voorbeeld van de spoorwegen uit. Bij de liberalisering van de spoorwegen aldaar werden de beste lijnen geprivatiseerd. Die lijnen kwamen in handen van privéondernemingen. De andere lijnen kwamen in handen van de overheid en zij werden verlieslatend. Op een bepaald moment werden de verlieslatende lijnen en treinen geschrapt. Het gevolg was dat de gebruikers van die lijnen te voet konden gaan of hun plan moesten trekken. Hetzelfde gebeurde bij de Royal Mail. Ook daar volgde er uit de liberalisering een soort cherry picking.
Daarom is het ongelooflijk belangrijk dat er bij de omzetting van de liberaliseringwetgeving spelregels komen, een level playing field. Voor onze partij moet er een sterk social level playing field komen, zodat aan de blinde liberalisering grenzen worden gesteld. Ik heb gelezen dat sommige bedrijven op 2 januari 2011 klacht zullen indienen tegen de maatregelen in het kader van de social level playing field. Dat is dan voor hun rekening. Volgens mij is een social level playing field immers heel belangrijk.
Bij de stemming over het voorliggende wetsontwerp hebben wij ons in de commissie onthouden. Wij zullen dat vandaag opnieuw doen. De voorliggende wetgeving bevat immers nog een groot aantal verwijzingen naar koninklijke uitvoeringsbesluiten. Er zijn nog een aantal vragen en onduidelijkheden waarop wij vanop de oppositiebanken op het moment van de onderhandelingen over de voorliggende wetgeving, geen zicht hadden. Daarom zullen wij ons opnieuw onthouden.
Ik ga kort nog in op een aantal elementen. Een ervan is de geografische dekking. Andere collega's hebben dat hier al aangehaald. Enerzijds geven wij, terecht, aan de historische operator, bpost, de verplichting om vijfmaal per week post aan te bieden. Anderzijds, private concurrenten dienen na twee jaar tweemaal per week post aan te bieden. In een aantal interviews heb ik gelezen dat ook bpost zich afvraagt in welke mate het nog vijfmaal per week aan de deur moet komen in de toekomst. Bpost vraagt zich ook af of dat haalbaar zal zijn. Ik hoop van wel, want anders zou het een achteruitgang betekenen. Als die vraag vandaag reeds wordt gesteld, dan duidt het erop dat de verplichting van tweemaal per week waarschijnlijk een ongeoorloofd concurrentieel voordeel biedt aan private concurrenten.
Inzake de dekkingsgraad staat in de wetgeving: een graduele versterking van 10 % geografische dekkingsgraad per gewest in het eerste jaar naar 80 % na twee jaar. Sommige groepen hebben amendementen ingediend om tot 100 % te komen. Bij de stemming daarover zullen wij die amendementen steunen. Aangaande dat amendement van 80 % stel ik mij vragen. Dat amendement hadden wij ingediend in de commissie en wij hebben het vandaag opnieuw ingediend. Als een bedrijf besluit om zich na twee jaar te laten overnemen door een andere kapitaalverschaffer, zal de teller van dat bedrijf dan opnieuw op nul staan, zodanig dat de verplichting van de geografische dekking niet meer geldt? In ons amendement is een percentage van kapitaalverschaffing vermeld.
Ik kom tot de organisatie van het postgebeuren. Uit een tabel die ik gekregen heb van bpost, blijkt dat ongeveer 85 % van de omzet gerealiseerd wordt door minder dan 1 % van de klanten. Dat wil dus eigenlijk zeggen dat een duizendtal bedrijven zorgt voor het overgrote deel van het postverkeer. Gelet op die cijfers spreekt het voor zich dat de concurrentie gevoerd zal worden bij die duizend klanten, want die zijn het meest interessant om concurrentie voor te voeren. Die bedrijven zullen dus waarschijnlijk een voordeel hebben aan de liberalisering. Zij zullen een betere prijs krijgen. Maar wanneer op het einde van de rit de balans weer in evenwicht gebracht moet worden, wil dat zeggen dat het concurrentieel voordeel en de nieuwe prijs voor de grote klanten, betaald zal moeten worden door particulieren, zelfstandigen, kmo's, gemeentebesturen en dergelijke. Zij zullen de rekening moeten betalen van hetgeen anderen krijgen.
Ik kom tot het social level playing field. Ik erken dat in het wetsontwerp verschillende pogingen zijn ondernomen om een aantal beschermingsmechanismen in te voeren. Dat is belangrijk, omdat 70 % van de totale kosten bij de postale bedrijven loonkosten zijn. Wanneer de loonkosten 70 % uitmaken van de totaalkosten, dan kan een blinde zien dat daarop de concurrentie gevoerd zal worden, omdat het een af te romen percentage zal zijn. De concurrentie zal dus gevoerd worden op loonkosten, eigenlijk "op de klak van de gewone facteur".
Ik moet vaststellen dat ook de historische operator enkele jaren geleden al een beweging heeft ingezet om zich concurrentieel voor te bereiden, onder andere door een nieuw soort van loon- en arbeidsvoorwaarden naar voren te schuiven.
In de commissie vorig jaar is er een discussie gevoerd over het statuut van de wijkpostbodes die aan 8,43 euro bruto per uur moesten werken. Na syndicale acties is dat plan ingetrokken. Wij hebben nu hulppostbodes die in een iets beter, maar wat mij betreft nog steeds precair statuut zitten. Die loon- en arbeidsvoorwaarden moeten bij bpost worden verbeterd via syndicale onderhandelingen, maar zij zullen ook een belangrijk element worden in de gesprekken met de nieuwe spelers.
Ik kom dan tot de vraag tot welk paritair comité die nieuwe spelers zullen behoren. In de vorige legislatuur heb ik vragen gesteld aan de minister van Arbeid en zij antwoordde mij dat dit onder het comité 100 zou vallen. Voor mij is dit nog onduidelijk. Ik hoop dat hierover alsnog duidelijkheid kan worden gegeven.
Wat betreft de arbeidsplaatsen hebben wij deze morgen in een kranteninterview kunnen lezen dat de CEO van de post aankondigt dat er per jaar 1 000 mensen het bedrijf zullen verlaten. Het gaat dan niet over naakte ontslagen, maar toch betekent dit dat de tewerkstelling tussen 2003 en nu van iets meer dan 40 000 naar minder dan 33 000 is gedaald. De facto is er in die sector een enorm netto jobverlies.
In het interview stond dat dit niet alleen te wijten is aan de liberalisering, maar ook aan een daling van de postvolumes. Mijnheer de voorzitter, liefdesbrieven worden waarschijnlijk niet meer geschreven. Vandaag vraagt men het aan via sms, twitter of mail. Dit zal natuurlijk wel een impact hebben op het volume van de post, maar het staat buiten kijf dat de post voor enorme uitdagingen staat. Wij zijn er niet van overtuigd dat de liberalisering ter zake een meerwaarde kan bieden.
Wat de artikelen betreft in verband met de elektronische verzending. Wij hebben ter zake gezegd dat dit nieuwe mogelijkheden biedt. Op het moment van de bespreking van de artikelen van dat wetsontwerp was het voor ons echter nog onduidelijk hoe dit in concreto zal worden georganiseerd.
Mijnheer de voorzitter, als u het mij toestaat, zal ik ineens ook mijn amendementen toelichten. Het eerste amendement betreft de overname in de kapitaalsverschaffing. Als er een nieuwe speler komt via een overname dient deze speler minimaal 25 % van het kapitaal over te nemen, zo niet moet de teller terug op nul worden gezet.
Ten tweede, de dekkingsgraad van 10 tot 80 % dient men zelf te bereiken en niet via onderaanneming omdat men anders volgens ons drie verschillende bedrijfseenheden zal krijgen in de verschillende gewesten. Een aantal collega's kunnen dan hun post in hun taal krijgen, maar ik denk niet dat dit de bedoeling was van het wetsontwerp.
Een derde amendement dat wij in de commissie hadden ingediend heeft betrekking op een evaluatie van deze wetgeving. De rapporteur had eigenlijk zo correct moeten zijn om dit te vermelden. Andere sprekers hebben zich hierbij aangesloten. Het amendement werd goedgekeurd in de commissie. Ik hoop dat deze wetgeving achteraf zal kunnen worden geëvalueerd en wat ons betreft ook verbeterd.
Plenaire Vergadering, donderdag 18 november 2010
|