Eer en glorie van wie? Afdrukken E-mail
Hier kan u het opiniestuk over Afghanistan volledig nalezen... Terroristen ronselen hun kamikazes niet zonder reden onder jongeren zonder toekomstperspectief. Het feit dat het steeds vaker gaat om jongeren uit de middenklasse is een zeer verontrustend fenomeen. Nu België actief gaat deelnemen aan de oorlog in Afghanistan -mogelijks aan de Amerikaanse war on terror- vragen wij ons af welke toekomstperspectieven we daarmee bieden aan de Afghaanse jeugd en aan de Afghaanse bevolking in het algemeen.

Het verdrijven van de Taliban in 2001 door de internationale gemeenschap zou de situatie van de Afghaanse burger alleen ten goede komen. Jammer genoeg blijkt het tegendeel waar, zowel op gebied van veiligheid, ontwikkeling als toekomstperspectieven. De hyperbeveiligde luchthaven van Kandahar, waar onze jongens straks terechtkomen, lag de voorbije weken al 30 keer onder vuur van de Taliban. Deze verschuilen zich in dorpen en steden, die verpletterd worden onder westerse bommen. Geen hyperbeveiligde, maar gewone huizen die geen bescherming bieden. Collateral Damage zijn hier de Afghaanse burgers die sneuvelen door het geweld van de Taliban én de Alliantie. En het wordt steeds erger: Uit cijfers van de VN-hulpmissie in Afghanistan (UNAMA) blijkt dat er in de eerste helft van dit jaar al 698 burgerslachtoffers vielen, in vergelijking met 430 in dezelfde periode vorig jaar. Juli van dit jaar werd een recordmaand met 260 doden. Karzai laat deze week weten dat hij de aanwezigheid van de internationale troepen wil herbekijken, na heftige protesten als reactie op een Amerikaanse luchtaanval waarbij 90 burgers -voornamelijk vrouwen en kinderen- werden gedood.

Maar behalve de veiligheidssituatie gaat ook het gewone leven er voor de Afghaanse burger op achteruit. Twee decennia van oorlog plaatsen het land helemaal onderaan op de Human Development Index. Meer nog, van 2006 naar 2007 boert het nog een plaatsje verder de dieperik in en bengelt nu op de 174ste van de 178 plaatsen. De levensverwachting daalde van 44.5 naar 43.1 jaar. De oorlog en de tegenvallende oogsten zorgen voor een globale voedselcrisis, terwijl 130.000 Afghanen op de vlucht zijn in eigen land. Dit is een land dat schreeuwt om hulp. Noodhulp om onmiddellijk op te treden en structurele hulp om het land fundamenteel vooruit te helpen. Niet de hulp waar ze nu mee te maken krijgen.

Door de militair-civiele samenwerking van de Navo vervaagt namelijk het onderscheid tussen militaire en humanitaire acties. Er worden aanslagen gepleegd op hulpkonvooien van neutrale hulporganisaties. Sommige gebieden zijn hierdoor niet langer toegankelijk voor de hulpverleners. Naast humanitaire noodhulp snakt het land naar structurele hulp. Niet zonder reden plaatst de Wereldbank ontwikkeling bovenaan de agenda. De zwakke Afghaanse administratie leidt de technische steun uit het buitenland echter naar een vacuüm, waardoor de middelen vruchteloos wegvloeien. De centralisatie van de bureaucratie in Kaboel tast bovendien de geloofwaardigheid van de overheid elders in het land aan. Dit terwijl deze overheid al zo weinig krediet heeft bij de bevolking, wegens het gebrek aan een effectief parlement, een transparant rechtsysteem en een betrokken civiele maatschappij.

De internationale gemeenschap zal in Afghanistan geen doorslaggevende rol kunnen spelen in afwezigheid van een serieuze Afghaanse regering. Daar staat of valt alles mee. De regering Karzai blijft echter geplaagd worden door verregaande corruptie, invloed van krijgsheren, interne oppositie en een president die de strijd tegen de opiumteelt niet aandurft uit angst voor de drughandelaars. Na bijna zeven jaar van zogenaamde heropbouw in het land, blijkt meer dan drie vierde van de Afghanen ontevreden over het werk van hun regering en parlement (zoals bleek uit een enquête van juli 2008 door de Duitse Konrad Adenauerstichting en het Nationale Center for Policy Research) De impopulariteit van de regering Karzai werkt het succes van de Taliban in de hand. Sinds hun val, verdubbelde overigens de opiumteelt, waardoor het land momenteel de grootste producent ter wereld is. Met andere woorden: waar staan we na zeven jaar zogenaamde heropbouw van Afghanistan? Welke toekomstperspectieven bieden we de bevolking? En vooral, wat doen we om de zaak vooruit te helpen?

Spijtig genoeg komen wij tot de conclusie dat de beslissing van minister De Crem om mee te stappen in de militaire logica, de Afghaanse jongeren enkel een perspectief op oorlog biedt. Eerst en vooral omdat steeds meer experts tot die conclusie komen. Denken we aan de uitspraak van Generaal Dan McNeill bij zijn aftreden als bevelhebber van ISAF wanneer hij zei dat wie in Afghanistan succes wil kennen, minstens 400.000 soldaten naar het land moet halen. Na grote druk op de NAVO-lidstaten zijn er momenteel ongeveer 53.000 ter plaatse. Met dit onnoemelijke tekort aan troepen wil de Navo een quick fix forceren in het land. Maar laat ons eerlijk zijn: toen de Russen na hun nederlaag vertrokken lieten ze de volledige infrastructuur in puin achter. De Taliban maakte vervolgens gruzelementen van elke mogelijke progressieve gedachte en nu komt de Navo met dé oplossing: bommen gooien. Wat valt er nog te vernietigen? Wordt het geen tijd om aan opbouw te denken? Voor onze regering niet. Die kiest voor deelname aan deze ISAF-operatie, een totaal onaangepast instrument om in dergelijke complexe situatie tussenbeide te komen. Zonder serieuze politieke en politiek-militaire coördinatie, met een gefragmenteerde aanpak van zone tot zone, zowel wat betreft het oorlogsvoeren als de wederopbouw, het politiek proces, enzovoort. De experts op het terrein zijn zich wel degelijk van dit probleem bewust, maar niemand durft op te treden. Sven Biscop, senior onderzoeker aan het Egmont Instituut, verwoordt het als volgt: "Haast niemand gelooft dat wat de Navo samen met de andere betrokken actoren nu doet in Afghanistan, een duurzaam effect heeft (...) Alleen lijkt geen enkele Navo-lidstaat dat formeel te durven toegeven, omdat dat lijnrecht tegen de VS zou ingaan (...) dit is een patstelling die nog jaren kan duren: de Taliban kunnen de Navo niet verslaan, maar de Navo kan ook de Taliban niet verslaan." Nog verontrustender is de argumentatie van de experts die wél voorstander zijn van deelname: ze wijzen steevast op het feit dat wie lid is van een alliantie, daar ook de gevolgen moet van dragen. "De lasten en de lusten", heet het. En dat is tot op heden het enige antwoord dat de Belgische bevolking van haar Ministers De Crem en De Gucht hebben gekregen.

Betekent dat dan dat we blind elke zinnige of onzinnige operatie volgen en mee uitvoeren? Dat is ondenkbaar. Maar wat als een publiek debat over de deelname zorgvuldig wordt vervangen door foto's in oorlogsgebied of in Washington? Foto's met zonnebril. Wat als wordt verzwegen dat we al de hele tijd een belangrijke rol spelen in Afghanistan en er zinvol werk leveren door het openhouden van een belangrijke luchthaven? Wat als door een Minister van Defensie bijna smalend wordt gedaan over missies als Tsjaad en Libanon waar we betekenisvolle taken uitvoeren ten gunste van de bevolking? Het zouden schooluitstapjes zijn, ons leger onwaardig. Onze jongens moeten strijden, dat is het credo. In dit geval is de vraag waarvoor ons leger moet strijden door de Minister van Defensie niet beantwoord.

Het antwoord formuleren is nochtans simpel: beleid is keuzes maken. Binnen een beperkt budget en met heel wat vragen tot deelname aan operaties moeten er prioriteiten gesteld worden. Tijdens de vorige legislatuur lag de nadruk vooral op vredesondersteunende en -opbouwende missies, die hun meerwaarde goed hebben bewezen. Deze minister gooit het roer volledig om. Hij maakt van ons leger een gevechtsmachine die wordt ingezet om vrede af te dwingen. Oorlogslogica van de war on terror waar ons land sinds de laatste ministerraad aan deelneemt. Maar wie wordt daar nu eigenlijk beter van? De Afghaanse bevolking die nog meer bommen rond de oren hoort suizen? De militairen die op termijn, zoals in Nederland, het hele doel van de missie in vraag stellen? De Navo die krampachtig vasthoudt aan de gekozen en daardoor uitzichtloze strategie uit angst gezichtsverlies te lijden? Of De Crem zelf, die zo graag Zijn Naam hoort weerklinken in het Witte Huis?

Wij dagen de minister uit. Wij formuleerden hier de argumenten die aantonen dat het gaat om een failliete strategie, die slechts meer doden, meer druk op het budget, meer terrorisme zal teweeg brengen. Wij vragen een open parlementair debat waarin wordt nagedacht over mogelijke alternatieven zoals de rol van de Verenigde Naties of de mogelijkheid tot het opleiden van een Afghaanse politie en leger, zoals we in Congo doen. Dit land heeft recht op verantwoording van de minister. De burgers, die zo trots waren dat ons land niet bezweek onder de druk van de Verenigde Staten om deel te nemen aan de war on terror in Irak, hebben het recht te weten waarom we dat nu in Afghanistan wel zouden doen. Dit debat moet openlijk gevoerd worden en niet in een commissie achter gesloten deuren waar de parlementairen zwijgplicht wordt opgelegd. Als De Crem het lef niet heeft dit debat grondig en publiek te voeren, holt hij ironisch genoeg het democratische controlerecht van het parlement uit om in Afghanistan te vechten tegen de Taliban zogezegd in naam van de democratie. Het wordt tijd dat we het voorbeeld van onze buurlanden volgen. Zowel in Duitsland, Japan, Frankrijk, Groot Brittannië, zelfs de Verenigde Staten waar onze minister zo naar opkijkt, wordt dit debat in het parlement gevoerd. Welke keuze maakt onze minister? Is hij dapper genoeg om naar het parlement af te zakken en er te antwoorden op onze enige vraag:  wordt de Afghaanse bevolking beter van onze operatie en biedt hij de jongeren een toekomstperspectief? Met andere woorden: is de gevoerde strategie de juiste? We zijn benieuwd.

 

Dirk Van der Maelen

Ludwig Vandenhove

David Geerts

 
< Vorige   Volgende >
 Focus  
 
Home
Wie is ?
Parlementair werk
Heist-op-den-Berg
Foto's
Links
Contact